horen, zien en zwijgenOnze standpunten:

Standpunt rond seksualiteit en handicap (maart 2012)

Standpunt over het Projectplan Zorgvernieuwing (december 2011)

Standpunt rond begeleiderspas (juli 2011)

Standpunt rond arbeidsparticipatie (april 2011)

Standpunt rond de tegemoetkomingen (februari 2011)

Standpunt rond (On)toegankelijkheid in de horeca (januari 2011)

Standpunt rond PAB (december 2010)

Standpunt rond de Beschutte Werkplaatsen (november 2010)

 


Standpunt rond seksualiteit en handicap

Inleiding

Seksualiteit zit mensen in de genen. Hoewel het een universeel menselijk gegeven is en ondanks het feit dat seksualiteit overvloedig en heel prominent aanwezig is in onze maatschappij, blijft het een onderwerp dat voor de meeste mensen thuishoort in de strikt persoonlijke sfeer. Het onderwerp blijft gepaard gaan met een zekere mate van schroom. Die schroom slaat om in een regelrecht taboe wanneer het gaat over de seksualiteitsbeleving van personen met een handicap. Hierbij worden de seksuele behoeften van personen met een handicap nog te vaak genegeerd.

Toegegeven, er is een evolutie merkbaar en er is de laatste decennia gaandeweg meer aandacht gekomen voor het thema, zowel in de academische en professionele wereld als daarbuiten. Toch blijven personen met een beperking geconfronteerd worden met grote hindernissen wanneer zij willen voldoen aan hun seksuele behoeften.

Het ontstaan van een taboe

De meeste obstakels vloeien voort uit het taboe dat weegt op seksualiteit en handicap. Het taboe vindt zijn oorsprong in de jaren ‘60. Seksualiteit werd gezien in functie van voortplanting binnen een huwelijk. Personen met een handicap waren volgens de samenleving zwakkere mensen, voor wie bescherming en verzorging de hoogste noden waren. In het leven van iemand met een handicap was er geen ruimte voor een huwelijk of voor kinderen en bijgevolg was er ook geen nood aan aandacht voor seksualiteit in hun leven. Het thema “handicap en seks” was simpelweg een ondenkbare combinatie.

Een visie evolueert…

In de loop der jaren veranderde de visie op personen met een handicap. Men evolueerde naar de uitgangspunten zoals deze werden vastgelegd in het VN-verdrag betreffende de rechten van personen met een handicap. In het verdrag stapt men af van het beeld van de “zorgbehoevende gehandicapte” en wordt de nadruk gelegd op de gelijkheid van mensen, ongeacht of zij een beperking hebben of niet. In het verdrag leggen de Verenigde Naties vast dat personen met een beperking dezelfde rechten hebben als iedereen, dus ook op vlak van seksuele gezondheid.


… maar het taboe blijft

Hoewel het denken op dit vlak is geëvolueerd, is de evolutie nog niet volledig doorgedrongen in alle lagen van de maatschappij. Daardoor worden personen met een handicap nog steeds geconfronteerd met compleet achterhaalde denkpatronen. Voorzieningen gaan soms de problematiek uit de weg en negeren de vragen van hun cliënten wanneer deze hun behoeftes kenbaar maken. Een veelgebruikt argument is dat het erkennen van de behoefte enkel voor meer frustratie zou zorgen. Ook de netwerken van personen met een beperking staan al te vaak weigerachtig tegenover hun seksuele behoeften. Veelal hebben deze opvattingen te maken met een achterhaalde visie op handicap of een gebrek aan informatie.
Voor LVPH is het dan ook uiterst belangrijk dat het taboe rond handicap en seksualiteit helemaal weggewerkt wordt. Personen met een handicap hebben evengoed recht hebben op een normale seksualiteitsbeleving, net als iedereen.

Wat kan er gedaan worden?

In de eerste plaats is het belangrijk dat mensen die professioneel actief zijn in de sector overtuigd worden van het uitgangspunt van het VN-verdrag: mensen met een beperking zijn in de eerste plaats mens, met alle behoeften en noden die daarbij horen. Vaak komen tijdens de verzorging van mensen seksuele gevoelens naar boven die genegeerd worden omdat het verzorgend personeel niet weet hoe hiermee om te gaan. Om hiermee op een normale manier te leren omgaan is het volgens LVPH nodig om meer aandacht te besteden aan seksualiteitsbeleving bij personen met een handicap tijdens de opleiding.

Daarnaast is het ook wenselijk dat de maatschappij in haar geheel gesensibiliseerd wordt om zo ook de netwerken rond een persoon met een handicap te bereiken. Door het onderwerp op een normale manier in beeld te brengen, kunnen de denkpatronen van de samenleving op een positieve manier worden beïnvloed. Een mooi voorbeeld hiervan was toen het thema in het najaar van 2011 werd opgepikt door verschillende media in het spoor van de succesvolle film Hasta La Vista.  Het zijn die momenten die een cruciale rol spelen in het ontvankelijk maken van de publieke opinie voor dit thema.

Tot slot willen wij ook wijzen op het belang van goede informatie voor alle betrokkenen. We zien dat er een stijgende vraag is bij personen met een beperking, hun netwerken en de voorzieningen naar duidelijke informatie over de mogelijkheden om tegemoet te komen aan deze seksuele behoeften. In België hebben een aantal organisaties een vormingsaanbod over dit onderwerp. In vergelijking met onze noorderburen is het aanbod echter vrij beperkt en is er duidelijk nood aan een uitbreiding van het informatieaanbod.

naar boven


Standpunt Projectplan Zorgvernieuwing

Inleiding

Vorig jaar publiceerde Vlaams minister Vandeurzen zijn beleidsnota “Perspectief 2020: een nieuw ondersteuningsbeleid voor personen met een handicap”. In dat document staat zijn langetermijnvisie op de zorgvernieuwing in de sector van personen met een handicap. Tegen 2020 wil de minister in eerste instantie dat de sector is omgeschakeld van aanbodsgestuurde naar vraaggestuurde zorg. In tweede instantie streeft de minister er naar tegen 2020 zorg te kunnen garanderen voor de personen met de zwaarste ondersteuningsnood.

Om deze doelstellingen te realiseren werd het projectplan zorgvernieuwing ter advies voorgelegd aan de betrokken partijen. Hoewel dit plan een goed overzicht geeft van de stappen die men denkt te moeten nemen op weg naar de doelen uit Perspectief 2020, blijven wij op onze honger zitten wat betreft de concrete inhoudelijke uitwerking van de projecten. Zo wordt één van de dringendste vragen: de omschakeling naar een persoonsgebonden ondersteuning, wel opgenomen in het projectplan in de vorm van Persoonsvolgende Financiering (PVF), maar staat er in het projectplan nergens iets te lezen over de modaliteiten van deze financieringsvorm. Voorlopig blijft de term dus een lege doos die er niet onaantrekkelijk uitziet, maar waarvan niemand weet wat er effectief in zit.

Maatschappelijk debatOverlegtafels

De inhoudelijke uitwerking van de belangrijkste projecten wordt verschoven naar een maatschappelijk debat waaraan alle belanghebbenden zullen deelnemen. Hoewel wij positief staan tegenover het opentrekken van de discussie, moet volgens ons de focus van de discussie liggen op de creatie van een brede basis voor de geplande vernieuwingen. Het debat mag niet gebruikt worden om fundamentele rechten of reeds verworven inzichten opnieuw in vraag te stellen. Wij pleiten dus om via het maatschappelijk debat te komen tot een breed gedragen compromis waarin alle partijen zich kunnen vinden. Het debat moet dus goed voorbereid worden; onder meer door de juiste discussievragen naar voor te schuiven.

Het is dan ook betreurenswaardig dat de drie “onontkoombare vragen” die ter inleiding van het maatschappelijk debat worden voorgelegd, zich enkel toespitsen op de financiële aspecten van de zorgvernieuwing en meer specifiek op de relaties tussen drie elementen: het inkomen, het netwerk en de ondersteuningsnood van een persoon met een handicap.

Drie onontkoombare vragen?

Voor ons is het duidelijk dat geen van deze elementen een impact mag hebben op een van de andere element. Het inkomen – of dit nu afkomstig is uit arbeid of uit een uitkering – dient in eerste plaats om te voorzien in het levensonderhoud en in tweede instantie om het eigen leven naar wens in te richten. Het minimuminkomen van een persoon met een handicap moet dus tegemoetkomen aan dezelfde noden als het minimuminkomen van een persoon zonder handicap. Er is volgens ons geen reden om voor een persoon met een beperking een apart minimuminkomen te bepalen.

Wel is het zo dat een persoon met een handicap drempels of moeilijkheden kan ervaren in verschillende aspecten van zijn leven. De drempels of moeilijkheden kunnen weggewerkt worden door de juiste ondersteuning. Het geheel van drempels vertaalt zich dus in een nood aan ondersteuning. Onze samenleving heeft zich geëngageerd om personen met een beperking gelijke kansen aan te bieden en ervoor te zorgen dat zij gelijkwaardig deel kunnen uitmaken van de samenleving. Bovendien kiest geen enkele persoon om te leven met een beperking. Is het dan ook niet volstrekt normaal dat de kosten van de nodige ondersteuning gedragen worden door de hele samenleving? Het is volgens LVPH dan ook onredelijk om van een persoon met een handicap een extra bijdrage aan zijn eigen ondersteuning te eisen, bovenop de belastingen die we allemaal betalen.

Het element “inkomen van een persoon met een handicap” staat volgens ons dus helemaal buiten de discussie. Met betrekking tot de andere elementen die in het maatschappelijk debat aan bod moeten komen wordt er van uitgegaan dat een netwerk rond een persoon met een handicap automatisch leidt tot een kleinere ondersteuningsnood. Een persoon met een handicap zou minder acute nood hebben aan extern georganiseerde ondersteuning swanneer hij kan rekenen op een sterk netwerk. Het is natuurlijk mogelijk dat dit in bepaalde casussen het geval is. Het is echter gevaarlijk om te veronderstellen dat het netwerk vanzelfsprekend ingeschakeld kan worden om ongebruikelijke mantelzorg te verstrekken. Dit zou zorgen voor een te zware belasting en op de lange termijn de situatie van een persoon met een handicap doen verslechten. Een netwerk van mantelzorgers is een kostbare, maar niet onuitputtelijke bron. Het is volgens ons een belangrijk aandachtspunt om deze waardevolle vorm van ondersteuning te cultiveren en in stand te houden. Eén van de mogelijkheden hiervoor is toelaten dat mantelzorg gehonoreerd wordt. De redenering is hier wederom dat het niet de taak is van individuele personen met een handicap of hun omgeving is om op te draaien voor de garanties die de samenleving biedt.

De kern van de zaak

De vragen voorgelegd ter discussie zijn volgens LVPH niet zo onontkoombaar als ze worden voorgesteld en raken zeker niet aan wat volgens ons de kern van de discussie zou moeten zijn. De discussie zou zich moeten toespitsen op de vorming van een maatschappelijke consensus over zaken zoals:

De voordelen van cash financiering ten opzichte van zorg in natura.

Hoe kan de overheid ervoor zorgen dat mensen met een beperking een geïnformeerde keuze kunnen maken bij de samenstelling van hun zorgpakket.

Hoe gaan we als samenleving het hoofd bieden aan het stijgende aantal zorgvragen.

Hoe kan een persoon met een handicap voldoende zicht krijgen op de onderliggende mechanismen bij de behandeling van zijn zorgvraag.

Wij zouden er tot slot nog willen op wijzen dat wanneer er een debat georganiseerd wordt over personen met een handicap, het volgens ons normaal is dat de hoofdrolspelers in de discussie – namelijk de personen met een handicap zelf – een voortrekkersrol toebedeeld krijgen, om zo sturing te kunnen geven aan de onderwerpen die ter discussie voorgelegd worden. LVPH wil daarom vragen dat aan de gebruikersverenigingen het mandaat gegeven wordt om het maatschappelijk debat te organiseren en de agenda ervan vorm te geven.

naar boven

 


 

Standpunt ivm begeleiderspas

Inleiding

Wanneer een persoon met een handicap een evenement wenst bij te wonen, moet hij of zij zich meestal laten vergezellen door iemand bij het in- en uitstappen van een auto, bij het kopen van een ticket, bij het betreden en verlaten van de infrastructuur, wanneer het toilet moet gebruikt worden, ...

Het feit dat de persoon met een handicap zich moet laten begeleiden, brengt een belangrijke meerkost met zich mee. Er moet immers steeds voor twee personen betaald worden.

Met het lanceren van de begeleiderspas wensen provincie- en/of gemeentebesturen tegemoet te komen aan deze meerkost. Bovendien draagt het bij tot de integratie van de persoon met een handicap, die op deze wijze gemakkelijker de weg naar allerlei evenementen kan vinden.

Een begeleiderspas geeft immers gratis toegang aan de begeleider van een persoon met een beperking wanneer hij of zij een sport- of cultuurevenement van de deelnemende verenigingen wenst bij te wonen.

Personen die recht hebben op zo’n begeleiderspas moeten kunnen aantonen dat ze een handicap hebben. De pas kan door de gemeente of door de provincie worden uitgereikt en wordt op naam opgemaakt. Je mag je begeleider steeds zelf kiezen. Die begeleider mag voor elke activiteit iemand anders zijn. Als je deelneemt aan een activiteit van de deelnemende verenigingen moet je begeleider bij je blijven tot je weer naar huis gaat. Je krijgt van je gemeente of provincie een lijst van de organisaties waarbij je de begeleiderspas kan gebruiken. Vaak wordt er gevraagd om een dag op voorhand aan de organisatoren te laten weten dat je aanwezig zal zijn. De geldigheidsduur van de pas is beperkt in de tijd.

Aanbevelingen van LVPH en Liever Thuis LM

De Liberale Vereniging van Personen met een Handicap (LVPH) vzw en de vzw Liever Thuis LM staan volledig achter de begeleiderspas. Een beter alternatief is echter het Persoonlijke-Assistentiebudget (PAB), omdat de persoon met een beperking op die manier de begeleiding volledig kan vergoeden. Hierdoor is hij of zij niet afhankelijk van de bijkomende voorwaarden, zoals het feit dat de begeleider steeds bij de te begeleide persoon moet blijven.

De beperking van het aantal deelnemende verenigingen is echter jammer. LVPH en Liever Thuis LM zijn van oordeel dat ook andere organisaties, zoals die uit de commerciële sector, moeten gestimuleerd worden om open te staan voor de begeleiderspas.

In de provincie Limburg werkt men momenteel met een icoontje dat aangeeft dat bepaalde organisaties tot de deelnemende verenigingen behoren. Dit label stelt duidelijk dat personen met een beperking welkom zijn. Dit kan sensibiliserend werken, al moet men opletten dat het de betutteling niet in de hand werkt.

Om misbruik tegen te gaan, pleiten LVPH en Liever Thuis LM voor een geldigheidsduur van vijf jaar. Nadien zou de begeleiderspas opnieuw moeten aangevraagd worden.

Vanuit hun liberale achtergrond, staan LVPH en Liever Thuis LM voor de keuzevrijheid van personen met een handicap. De begeleiderspas zorgt voor een verruiming van de keuzemogelijkheden en dit kan enkel aangemoedigd worden. LVPH en Liever Thuis LM stellen echter vast dat het bestaan van de begeleiderspas bij de doelgroep en bij de eerstelijnshulpverleners, zoals de huisarts, nauwelijks gekend is. Daarnaast zou de begeleiderspas ook moeten toegevoegd worden als een vorm van ondersteuning in internettoepassingen voor personen met een handicap en andere zorgbehoevende personen en hun mantelzorgers, zoals Handiweb en de rechtenverkenner. Uiteraard dienen de gemeenten en provincies die een dergelijke pas toekennen dit ook bekend te maken op hun website en in het gemeentelijke infoblad. Iedere burger die hierop aanspraak kan maken, moet hierover geïnformeerd worden.

Gemeenten beschikken doorgaans over heel wat informatie over hun inwoners op basis van de toekenning van een aantal tegemoetkomingen. Het zou daarom mogelijk moeten zijn om de begeleiderspas automatisch toe te kennen aan de rechthebbenden.

Daarnaast nemen sommige provincies meerdere initiatieven met pas- of kaartsystemen voor personen met een handicap en hun begeleiders. In Limburg bestaan er bijvoorbeeld drie passystemen, met name Eurecard voor kortingen voor toeristische, culturele en sportieve activiteiten, een begeleiderspas en Limtax, een taxichequessysteem voor personen met een zware motorische handicap. LVPH en Liever Thuis LM pleiten voor een uniform systeem met slechts één pas of kaart op provinciaal niveau, die dan zowel geldig is om deel te nemen aan activiteiten als voor het gebruik van aangepast vervoer.

Ten slotte vinden LVPH en Liever Thuis LM dat het gebruik van een begeleiderspas de algemene toegankelijkheid absoluut niet in de weg mag staan. Organisaties moeten er in de eerste plaats voor zorgen dat het gebouw en het evenement volledig toegankelijk zijn voor iedereen, dus ook de sanitaire voorzieningen.

naar boven


Standpunt ivm de arbeidsparticipatie van personen met een handicap

Er is een ondervertegenwoordiging van personen met een handicap binnen de reguliere arbeidsmarkt. Slecht 2 op 10 gehandicapten heeft betaald werk. Uit een studie van het Business & Disability Forum blijkt dat er nog veel discriminatie op de werkvloer bestaat ten aanzien van personen met een handicap.

Zelfs binnen de overheid ligt de arbeidsparticipatie van personen met een handicap erg laag. In 2009 bestond slechts 0,9% van het personeel van de Federale overheidsdienst uit personen met een handicap. De Vlaamse overheid strandde dat jaar op 1,1%. Dit zijn teleurstellende cijfers. Nochtans, in het kader van het Gelijkekansenbeleid, legt de overheid zich een streefcijfer op van 4,5% tegen 2015.

Men moet inspanningen leveren om mensen met een handicap op een volwaardige manier tewerk te stellen in de reguliere arbeidsmarkt. Er zijn vaak enorme toegankelijkheidsproblemen zoals werkplaatsen die niet zijn aangepast. Eveneens is er sociale ontoegankelijkheid: sceptische collega’s en te weinig vertrouwen of onbegrip van directie. Mensen met een handicap zijn te weinig gekend binnen de arbeidsmarkt en dit geeft onzekerheid.

LVPH dringt aan om reëel werk te maken van de tewerkstelling van personen met een handicap. Hierin moet de overheid het voortouw nemen en de diversiteit waar zij zo voor pleit ten uitvoer brengen. Werkgevers die personen met een handicap in dienst hebben, zijn zeer positief en ondervinden de meerwaarde van verscheidenheid tussen werknemers.
Beschutte werkplaatsen zijn plaatsen waar hard gewerkt wordt en die evenwaardig zijn aan werkplaatsen in het reguliere arbeidscircuit. In deze werkplaatsen zoekt men werk op maat van de werknemer. Een beschutte werkplaats is dan ook een tewerkstellingsplaats voor personen met een arbeidshandicap die niet in het normale arbeidscircuit terecht kunnen.

LVPH adviseert de Liberale Mutualiteiten:

1. Informeren

LVPH wil voornamelijk advies geven aan de werkgevers en aan werknemers met een handicap binnen de Liberale Mutualiteit. Dit advies kan op individuele basis verstrekt worden.

2. Sensibiliseren

LVPH wil alle werkkrachten binnen de Liberale Mutualiteit attent maken op de sterkte van diversiteit op de werkvloer. Dit zal ze doen door een artikel te weiden aan een goed voorbeeld van een werknemer met een handicap binnen dit huis.

3. Advies bij het uitschrijven van vacatures

In een vacature kan men volgende zin vermelden:
“Wij kunnen ons volledig vinden in de idee van gelijke kansen; daarom zijn de kwaliteiten van mensen heel wat belangrijker dan hun handicap.”

4. Cijfers

Het lijkt interessant om toch een indicatie te hebben over het aantal werknemers met een beperking binnen LM. Er worden cijfers opgevraagd?

5. Verdere ambities

LVPH zal de werknemers met een beperking binnen LM samen brengen in een werkgroep. Deze werkgroep zal de concrete knelpunten oplijsten en aan de hand van deze gegevens een stapsgewijs actieplan uitwerken.

naar boven


Standpunt rond de tegemoetkomingen

geld

Inleiding

Op federaal niveau bestaan er 4 soorten tegemoetkomingen:
- De inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT)
- De integratietegemoetkoming (IT)
- De tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden (THAB)
- De Inkomensgarantie voor Ouderen (IGO)

Dit standpunt heeft betrekking op de 3 eerste vormen van tegemoetkomingen
en de problemen die hiermee verbonden zijn. Deze worden toegekend door de
Directie-generaal Personen met een handicap (DGPH). De IGO wordt uitgekeerd
door de Rijksdienst voor Pensioenen.

De problemen:  - de wachttijden (uiteraard een steeds weerkerend probleem)
                          - de prijs der liefde
                           - de leeftijdsgrenzen

Probleem 1: de wachttijden

Tijd tussen aanvraag en uitbetaling in 2009: 9,4 maanden, in 2010: 7,5 maanden. De wetgeving stelte: zes maanden.

De staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een Handicap, is zich bewust van dit probleem en werkt hier intern aan op drie belangrijke zaken, namelijk de ICT-ondersteuning, het administratieve beheer en de regelgeving. Als LVPH kunnen we deze initiatieven aanmoedigen en opvolgen.

Het rekenhof heeft het DGPH doorgelicht en een aantal zeer concrete aanbevelingen geformuleerd. Het volledige verslag + reactie van het DGPH is terug te vinden op: http://www.rekenhof.be/docs/Reports/2011/2011_04_DGHAN_N.pdf .

Probleem 2: de prijs der liefde

Een integratietegemoetkoming wordt verstrekt aan personen met een handicap om de kosten om zich te integreren voortvloeiend uit hun handicap te verminderen. Het gaat om een toelage die wordt toegekend in functie van de graad van zelfredzaamheid en na onderzoek van de bestaansmiddelen. Deze integratietegemoetkoming zou niet mogen afhangen van het inkomen van de partner. Het inkomen van de partner heeft namelijk niets te maken met de zelfredzaamheid van de persoon met een beperking. LVPH pleit dan ook voor het loskoppelen van de integratietegemoetkoming en het inkomen van de partner.

Probleem 3: de leeftijdsgrenzen

De tegemoetkomingen (IT en IVT) zijn enkel van toepassing voor personen tussen de 21 en 65 jaar oud. Wat met de mensen jonger dan 21 en ouder dan 65 jaar?

Een 18-jarige is wettelijk meerderjarig, maar heeft pas het recht op een tegemoetkoming als hij/zij 21 jaar is.
 
Mensen, ouder dan 65 jaar, die een handicap verwerven kunnen geen aanspraak maken op deze tegemoetkomingen. Zij hebben recht op het IGO en de THAB. Deze ongelijke behandeling wordt ook door het VAPH toegepast, hier kan je enkel terecht als je jonger bent dan 65.

Er zijn al voorstellen geformuleerd om het betreffende decreet te wijzigen, maar deze werden steeds verworpen. Hierbij worden 2 argumenten aangehaald: ten eerste kan de persoon vanaf zijn 65ste beroep doen op de voorzieningen binnen de bejaardenzorg. Een tweede argument zegt dat het onbetaalbaar is om deze leeftijdsgrenzen af te schaffen of te versoepelen.

Deze leeftijdsgrenzen zijn arbitrair en onrechtvaardig. LVPH pleit voor het wegwerken van deze strikte scheidingslijnen en voor een gelijkwaardige behandeling van personen met een handicap, ongeacht hun leeftijd.

Een bedenking: werk moet lonen

Personen met een handicap die genieten van een inkomensvervangende tegemoetkoming zien dat elk inkomen dat zij verwerven uit arbeid wordt gevolgd door een vermindering van hun uitkering. Personen met een handicap worden hierdoor niet gestimuleerd tot betaalde arbeid.

Dit is een verliessituatie voor zowel de persoon met een handicap als de potentiële werkgever en de arbeidsmarkt. LVPH pleit voor een versoepeling van de wetgeving en een meer flexibele combinatie van een tegemoetkoming en loon uit arbeid.

naar boven


Standpunt rond (On)toegankelijkheid in de horeca

Inleiding

Onder het motto “12% van je omzet laat je niet lopen!” startte Nederland in 2007 een landelijke campagne om horeca- en recreatiebedrijven voor iedereen toegankelijk te maken. De 12% refereert naar het percentage personen met een handicap over gans de bevolking. Toch is toegankelijkheid niet alleen interessant voor personen met een handicap, toegankelijkheid biedt comfort voor alle klanten.

Een brede deur die vanzelf open gaat is handig voor zwaar beladen shoppende dames, jonge ouders met kinderen, een oudere man met een rollator of een rolstoelgebruiker. Hetzelfde geldt voor een duidelijke menukaart.

Universal design staat voor het vergemakkelijken en veraangenamen van het leven van álle gebruikers en wordt zo losgekoppeld van het speciale of van de extra investering. Het idee achter Universal design:

“Fysieke en sociale omgevingen die integraal en inclusief toegankelijk en bruikbaar zijn voor de ruimst mogelijke verscheidenheid van gebruikers, jong en oud, vormen de sleutel tot een volwaardige maatschappelijke integratie en participatie van iedereen.“

Toegankelijkheid is het recht op een veilige, gebruiksvriendelijke en aangename omgeving voor iedereen, doorheen alle levensfases. Bijkomende argumenten om toegankelijkheid te promoten zijn de vergrijzing van onze samenleving. Mensen worden ouder en de groep ouderen wordt groter én blijft actief. Ook wordt de groep met een ernstig handicap, dankzij de (para-)medische vooruitgang, groter en actiever. Ze zijn meer geëmancipeerd en zelfstandiger en nemen deel aan de samenleving.

bar

Een werk van lange adem

Toegankelijkheid zou dan ook vanzelfsprekend moeten worden en hiermee zijn onze beleidsmakers het eens. Vanaf 1 maart 2010 is er een nieuwe regelgeving van kracht die ervoor zorgt dat toegankelijkheidsregels moeten opgenomen worden in de voorwaarden van de bouwvergunning. Dit geldt dus ook voor cafés en andere horecazaken.

Toegankelijkheid hoeft niet meer te kosten. Door in de ontwerpfase mensen met een ernstige beperking als uitgangspunt te nemen, kan je er dus voor zorgen dat een accommodatie voor iedereen gebruiksvriendelijk is.

Twee zaken zijn hierbij wel belangrijk: ten eerste is het essentieel dat men van bij het begin van het ontwerp rekening houdt met toegankelijkheid. Zo hebben gespecialiseerde bouwkundigen de ervaring dat de aanleg van een integraal toegankelijk toilet geen extra kosten met zich meebrengt, mits dit al bij het ontwerp van een groot geheel (nieuwbouw of ingrijpende renovatie) wordt meegenomen.

Ten tweede moet er een mentaliteitsverandering komen. Men moet niet investeren in toegankelijkheid vanuit idealisme. Het moet ook rendabel zijn. Niet alleen bereikt de horeca op deze manier een veel breder publiek, het straalt ook een openheid uit. Op dit moment kijkt men naar toegankelijke plaatsen met een bepaalde bewondering en er worden toegankelijkheidsprijzen uitgereikt. Zo stimuleert men toegankelijkheid en dit is broodnodig, maar het zou vervlecht moeten zijn in onze mentaliteit. Als mensen een café beginnen, moeten ze een automatische reflex hebben die zegt “hoe maken we het toegankelijk” net zoals ze zich afvragen hoe ze het gezellig moeten maken.

En nu?

Momenteel is dit natuurlijk nog geen antwoord op het toegankelijkheidsvraagstuk. Nederlandse cijfers tonen aan dat slechts 1,5% van de horeca zaken toegankelijk is voor personen met een handicap. Er moet dus onmiddellijk iets veranderen. Veel zaken vergen kleine ingrepen en vergroten de toegankelijkheid in grote stappen:
- goede signalisatie (ingang, toog, toilet,…)
- wegwerken van drempels
- goede zitplaatsen met een deftige rugleuning
- een menukaart in braille
- een duidelijke kaart
- parking in de buurt (in samenspraak met de gemeente)
- doorgangen voldoende breed houden
- enkele tafels zonder stoelen vrijhouden
- enkele tafels verhogen (rolwagen kan eronder)
- toelaten van geleidehonden (is wettelijk verplicht, antidiscriminatiewet van februari 2005): wet is moeilijk afdwingbaar. Men pleit voor een boete als   de hond geweigerd wordt.
stickeractie 'Assistentiehond Welkom'
- …

Qua communicatie en klantvriendelijkheid kan ook veel veranderen en dit is kosteloos.

Er wordt weinig aandacht besteed aan goede communicatie met personen met een handicap. Deze communicatie zou niet anders moeten zijn dan naar personen zonder handicap. Toch wordt nog al te vaak de begeleider aangesproken ipv de persoon zelf. Ook tips ivm duidelijk en verstaanbaar praten of met je handen je taal ondersteunen door bijvoorbeeld te wijzen naar de plaats.

Mensen moeten meer attent worden voor het feit dat de klant een beperking kan hebben. Bovenal is vriendelijkheid en openheid het allerbelangrijkste. De klant moet zich welkom voelen. Op dit moment verloopt dit vaak moeilijk en staat verlegenheid spontaan communiceren in de weg.

Aanbevelingen van LVPH

Op dit moment is het belangrijk om handelaars ervan bewust te maken dat toegankelijkheid hen winst geeft. Niet alleen stellen ze zich op die manier open voor iedereen (sociale winst), maar toegankelijkheid betekent ook meer economische opbrengst. LVPH is voorstander van de toegankelijkheidsprijzen. Op dit moment is het een goede manier om mensen te sensibiliseren. Hier hoeft geen financiële beloning aan vast te hangen, maar de zaak krijgt media-aandacht en erkenning.

Er zijn horecazaken die zichzelf profileren als toegankelijk, maar ze zijn dit niet volledig. Dit kan voor LVPH echt niet, vandaar dat we pleiten voor een label dat aangeeft in hoeverre een zaak aangepast is. Om dit label te verdienen, moet de zaak voldoen aan een aantal strikte criteria. Eventueel kunnen er binnen dit toegankelijkheidslabel gradaties aangebracht worden. Een groen label kan staan voor volledige toegankelijkheid, terwijl een blauw label aangeeft dat de zaak nog niet over de hele oppervlakte toegankelijk is. Een rood label stelt dat er nog veel werk aan de winkel (taverne) is. Een deskundigencommissie zou de criteria kunnen opstellen en de labels uitreiken en opvolgen. Als de zaakvoerder zijn label aan de deur hangt, kan de klant onmiddellijk zien of hij/zij zonder moeilijkheden gebruik kan maken van de faciliteiten van de zaak.

LVPH raadt alle eigenaars en werknemers binnen een horecazaak aan om zelf met een rolwagen zijn zaak te verkennen. Het is ook aangewezen om eens rond te wandelen met een blinddoek aan en/of zich in te leven als persoon met dwerggroei. Dit terwijl hij/zij gebruikt maakt van de faciliteiten van zijn/haar zaak. Dit wil zeggen: binnenkomen, plaats nemen aan elke tafel, naar het toilet gaan,…

De deskundigencommissie zou voor het uitreiken van een toegankelijkheidslabel deze evaluatietest eventueel kunnen opnemen.

naar boven


Standpunt rond PAB

Wat is het PAB?

portemonneeHet persoonlijke-assistentiebudget (PAB) is een budget dat een persoon met een handicap kan ontvangen om zijn of haar assistentie mee te bekostigen. De persoon kan iemand in dienst nemen die hem of haar thuis, op school of op het werk praktisch en organisatorisch hulp biedt.

De meerwaarde van een PAB

Er is veel vraag naar een PAB en dit toont aan dat het PAB een zeer interessante financieringsmanier is. Waarom is het PAB zo aantrekkelijk voor de persoon met een handicap?

• Het PAB versterkt de persoon met een handicap door hem of haar zelf te laten beslissen aan welk soort assistentie hij of zij het budget besteedt.
• De kwaliteit van de assistentie verbetert omwille van het directe contact tussen de persoon met een handicap en zijn of haar assistent.
• Het is een opstap naar het PGB, het persoonsgebonden budget. Met een PGB kan men naast persoonlijke assistentie ook andere door het VAPH erkende diensten en voorzieningen betalen. De toepassing van het PGB is de laatste 2 jaar in een experimentele fase.
• Het PAB heeft een preventief effect. Het voorkomt dat mensen in instellingen terecht komen.

Niet alleen voor de persoon met een handicap heeft deze financieringswijze veel voordelen, ook voor de beleidsmakers is dit een win-situatie. Wat zijn de voordelen voor de overheid?

• Het preventieve effect van het PAB, hierboven besproken, zorgt op lange termijn voor besparingen voor de overheid. Nederlands onderzoek berekenende een winst van 12%.
• Het PAB zorgt voor meer controle en sturing omwille van de directe link tussen budgethouder en assistent.


3 problemen

1. Tekort en te lang

Het budget is onvoldoende en er staan veel mensen op de wachtlijst. In Vlaanderen waren er op 01 januari 2010 1 704 actieve budgethouders. Het aantal wachtenden in juni van dat jaar bedraagt 5 577. Dit aantal is zelfs de laatste jaren sterker gestegen dan het aantal toekenningen. Dit kan men niet volhouden: er staan mensen al jarenlang te wachten en indien er geen serieuze investering komt, blijft deze ondraagelijke situatie bestaan.


2. Overschot?

Wat zeer vreemd is, is dat het jaarlijks begrote bedrag voor PAB onderbenut blijft. Volgens Bol-Budiv vzw (budgethoudersvereniging) vloeit er jaarlijks 4 miljoen euro vanuit de post PAB terug naar de Vlaamse Overheid. Mensen die het eerste jaar een PAB ontvangen zijn vaak erg zuinig met hun budget en houden op het einde van het jaar over. VAPH pleit voor de oprichting van een reservefonds voor deze ‘overschotten’. De budgethoudersverenigingen pleiten voor een systeem waarbij de niet besteedde middelen PAB bestemd blijven, zodanig dat meer mensen geholpen kunnen worden.

De LVPH sluit zich hierbij aan: geld van het PAB moet bij het PAB blijven en dit budget moet snel substantieel groter worden.

3. Te weinig informatie en begeleiding

Er is een tekort aan informatie rond het PAB. Mensen krijgen te weinig informatie over:
- wie in aanmerking komt voor dit budget
- hoe ze dit budget kunnen aanvragen
- hoever ze op de wachtlijst staan (en hoe snel ze vorderen op die wachtlijst)
- hoe ze op een goede manier hun (volledig!) budget kunnen besteden/beheren
- de arbeidswetgeving van de assistent
- de onkostennota die men moet opmaken en kunnen voorleggen
Dit laatste is niet zo eenvoudig. Een assistent is een werknemer met bepaalde rechten waar de persoon met een handicap rekening mee moet houden, zoals hun jaarlijks verlof en andere arbeidswetgeving.

Oproep

De Liberale Vereniging van Personen met een Handicap doet een oproep aan de huidige regering om uitdrukkelijk voor het PAB te kiezen en werk te maken van de uitbouw van deze directe financieringsvorm. De wachtlijsten moeten snel weggewerkt worden, de financiering moet op een correcte en transparante manier verlopen en mensen hebben recht op correcte informatie en goede begeleiding. Er is in eerste instantie duidelijk meer budget nodig, maar ook moet men dit initiatief beter uitwerken. Enkel op deze manier heeft het PAB kans op slagen en zo kunnen personen met een handicap meer autonomie verwerven!

naar boven


Standpunt rond de Beschutte Werkplaatsen (BW)

Inleiding

Beschutte werkplaatsen zijn plaatsen waar hard gewerkt wordt en die evenwaardig zijn aan werkplaatsen in het reguliere arbeidscircuit. In deze werkplaatsen zoekt men werk op maat van de werknemer. Een beschutte werkplaats is dan ook een tewerkstellingsplaats voor personen met een arbeidshandicap die niet in het normale arbeidscircuit terecht kunnen.

Op dit moment zijn er 3 problemen waarmee de beschutte werkplaatsen te kampen hebben.

1. De economische crisis

werkplaatsIn 2009 werd de sector van de beschutte werkplaatsen zwaar geraakt door de economische crisis. Er werden maatregelen getroffen om de werkplaatsen tijdelijk extra te ondersteunen via een economische herstelsubsidie. Ook voor 2010 werden maatregelen genomen om de crisis zo goed mogelijk op te vangen. Toch steeg de economische werkloosheid tot 20%. Hierdoor ontstonden periodes van plotselinge, langdurige werkloosheid. Werkgevers doen hun best om de problemen zo goed mogelijk op te vangen.

Ondanks alles kwamen er in de nasleep van de crisis veel moeilijkheden. Zo is de continuïteit van de toevoer van werk gestoord, wat maakt dat plotseling drukke periodes werden afgewisseld met periodes van weinig tot geen werk. Bescherming van werknemers in deze moeilijke economische periode is een belangrijk thema. Toch lijkt het noodzakelijk om de tewerkstelling van mensen met een handicap binnen de sociale economie nauw op te volgen juist omwille van de kwetsbaarheid van deze arbeid.

Deze kwetsbaarheid situeert zich in de aard van het werk. Binnen beschutte werkplaatsen splits men het werk op in eenvoudige handelingen op maat van de werknemer. Hierdoor is er minder flexibiliteit en door de toenemende concurrentie wordt dit juist meer verwacht. De professionalisering binnen de BW’s heeft zeker niet stilgestaan, maar de vraag naar laaggeschoolde arbeid wordt lager en de druk wordt hoger. De arbeidsmarkt werkt met zeer strikte deadlines, kortere productietijden en kleinere reeksen.

De werknemers van de beschutte werkplaatsen hebben niet dezelfde draagkracht als tewerkgestelden in het normale arbeidscircuit. Zij zijn dan ook meer gevoelig aan deze onzekerheden en dit kan hen sneller uit hun evenwicht brengen. Ongeveer 3 op de 4 werknemers hebben een verstandelijke handicap en voor deze groep is het niet altijd even duidelijk wat er precies gebeurt. Dit brengt vaak angsten met zich mee wat kan zorgen voor psychische problemen.

De LVPH vraagt de regering om de aanhoudende negatieve gevolgen van de economische crisis te blijven opvangen, om zo de BW’s meer ademruimte te bieden.

2. Het deeltijds werken

Momenteel werkt 31% van de werknemers binnen de BW’s deeltijds en deze cijfers verschillen niet met de gemiddelde verdeling op de algemene arbeidsmarkt. Toch is er binnen de BW’s een grote vraag naar deeltijds werk. Mensen met een handicap besteden vaak meer tijd aan allerlei activiteiten van het dagelijkse leven zoals hun zelfzorg, verplaatsingen, enz. Dit in combinatie met voltijds werk kan zwaar zijn.

De werkplaatsen zijn geen voorstander van het deeltijds werken. Slechts 1 op 5 werkplaatsen geeft aan dat ze deeltijdse werknemers aanwerven zonder voorwaarden. De anderen staan deeltijds werk toe mits gegronde redenen en hier gaat het om uitzonderingen.

Volgens de BW’s zijn er een aantal nadelen verbonden aan het tewerkstellen van deeltijds werkkrachten:

  • De organisatie en planning van het werk wordt ingewikkelder.
  • De opleiding van de werknemers dient tweemaal te gebeuren.
  • De kosten per werknemer zijn hoger.
  • Er is een grote afwezigheid bij deeltijds werkenden

Toch kunnen er ook enkele voordelen benoemd worden voor de BW’s:

  • De productiviteitsgraad van zwakkere of oudere werknemers stijgt.
  • De kwaliteit van de productie is vaak beter.

De LVPH pleit voor flexibiliteit op de werkvloer. Het doel van Beschutte Werkplaatsen is om werk op maat aan te bieden, ook het arbeidsritme valt hieronder. Het is noodzakelijk om open te staan voor deeltijdse werknemers.

3. De veroudering van de werknemers

Dit laatste thema is een zeer positieve evolutie ten gevolge van de stijgende levensverwachting en de emancipatie van de grootste doelgroep van de BW’s, namelijk de personen met een verstandelijke beperking. Binnen de beschutte werkplaatsen zijn meer dan de helft van de werknemers ouder dan 40 jaar. 20 % is ouder dan 50 jaar.

Oudere personeelsleden ondervinden een aantal specifieke moeilijkheden:

  • Ze hebben vaker fysieke problemen.
  • Er kan sneller vermoeidheid optreden.
  • Oudere werknemers zouden een lagere productiviteitsgraad hebben.
  • Ze zouden minder flexibel kunnen werken.

Toch brengen ouderen ook een specifieke meerwaarde op de werkvloer:

  • veiligheid door ervaring,
  • steun aan de jongere collega’s
  • en een bepaalde routine en expertise die de productiviteit ten goede komt.

In samenwerking met de Koning Boudewijnstichting hebben een aantal Beschutte werkplaatsen projecten opgezet om extra aandacht te besteden aan de eindeloopbaanbegeleiding van oudere werknemers. Deze projecten gingen van start in 2008, maar werden ernstig belemmerd door de economische crisis. Toch zijn er al mooie werkingen rond opgezet.

De LVPH vraagt aandacht voor de overgang naar het pensioen. Het is ook voor mensen zonder handicap niet evident om deze omslag te maken. Men is gewoon om een hele dag met veel enthousiasme te werken en plots valt dit weg. De gepensioneerde moet zijn leven bij wijze van spreken opnieuw opbouwen: een nieuw levensdoel vinden en een nieuw sociaal netwerk uitbouwen.

Bij sommige mensen met een handicap is het essentieel dat deze overgang goed begeleid wordt. Men is voorstander van een meer flexibele overgang, eerst deeltijds werken en zo langzaam afbouwen. Ook kan het voor mensen met een handicap aangewezen zijn dat er dagopvang wordt voorzien.

Momenteel is er te weinig omkadering voor oudere personen met een handicap. Ook deze groep vergrijst en de structuren zullen aan deze uitbreidende en ouder wordende groep moeten worden aangepast.

Kanttekening

Een BW is een prachtig initiatief voor mensen die niet tewerkgesteld kunnen worden op de gewone arbeidsmarkt. Deze reguliere arbeidsmarkt moet echter wel de nodige maatregelen treffen om mensen met een handicap te werk te stellen.

Mensen met een handicap kunnen nog te weinig gaan werken in de reguliere arbeidsmarkt, enkel omwille van toegankelijkheidsproblemen zoals de ontoegankelijkheid van gebouwen. Er is eveneens een sociale ontoegankelijkheid: verbaasde collega’s of onbegrip van directie. Mensen met een handicap zijn te weinig gekend in de reguliere arbeidsmarkt en dit geeft onzekerheid. Er zijn nochtans zeer veel positieve ervaringen!

naar boven

LVPH - Liberale Vereniging van personen met een handicap vzw 2011©