Onze standpunten:
Standpunt rond seksualiteit en handicap
(maart 2012)
Standpunt over het Projectplan
Zorgvernieuwing (december 2011)
Standpunt rond begeleiderspas (juli
2011)
Standpunt rond arbeidsparticipatie
(april 2011)
Standpunt rond de tegemoetkomingen
(februari 2011)
Standpunt rond (On)toegankelijkheid in de
horeca (januari 2011)
Standpunt rond PAB (december 2010)
Standpunt rond de Beschutte Werkplaatsen (november
2010)
Standpunt rond seksualiteit en
handicap
Inleiding
Seksualiteit zit mensen in de genen. Hoewel het een universeel
menselijk gegeven is en ondanks het feit dat seksualiteit
overvloedig en heel prominent aanwezig is in onze maatschappij,
blijft het een onderwerp dat voor de meeste mensen thuishoort in de
strikt persoonlijke sfeer. Het onderwerp blijft gepaard gaan met een
zekere mate van schroom. Die schroom slaat om in een regelrecht
taboe wanneer het gaat over de seksualiteitsbeleving van personen
met een handicap. Hierbij worden de seksuele behoeften van personen
met een handicap nog te vaak genegeerd.
Toegegeven, er is een evolutie merkbaar en er is de laatste
decennia gaandeweg meer aandacht gekomen voor het thema, zowel in de
academische en professionele wereld als daarbuiten. Toch blijven
personen met een beperking geconfronteerd worden met grote
hindernissen wanneer zij willen voldoen aan hun seksuele behoeften.
Het ontstaan van een taboe
De meeste obstakels vloeien voort uit
het taboe dat weegt op seksualiteit en handicap. Het taboe vindt
zijn oorsprong in de jaren ‘60. Seksualiteit werd gezien in functie
van voortplanting binnen een huwelijk. Personen met een handicap
waren volgens de samenleving zwakkere mensen, voor wie bescherming
en verzorging de hoogste noden waren. In het leven van iemand met
een handicap was er geen ruimte voor een huwelijk of voor kinderen
en bijgevolg was er ook geen nood aan aandacht voor seksualiteit in
hun leven. Het thema “handicap en seks” was simpelweg een ondenkbare
combinatie.
Een visie evolueert…
In de loop der jaren veranderde de visie op personen met een
handicap. Men evolueerde naar de uitgangspunten zoals deze werden
vastgelegd in het VN-verdrag betreffende de rechten van personen met
een handicap. In het verdrag stapt men af van het beeld van de
“zorgbehoevende gehandicapte” en wordt de nadruk gelegd op de
gelijkheid van mensen, ongeacht of zij een beperking hebben of niet.
In het verdrag leggen de Verenigde Naties vast dat personen met een
beperking dezelfde rechten hebben als iedereen, dus ook op vlak van
seksuele gezondheid.
… maar het taboe blijft
Hoewel het denken op dit vlak is geëvolueerd, is de evolutie nog
niet volledig doorgedrongen in alle lagen van de maatschappij.
Daardoor worden personen met een handicap nog steeds geconfronteerd
met compleet achterhaalde denkpatronen. Voorzieningen gaan soms de
problematiek uit de weg en negeren de vragen van hun cliënten
wanneer deze hun behoeftes kenbaar maken. Een veelgebruikt argument
is dat het erkennen van de behoefte enkel voor meer frustratie zou
zorgen. Ook de netwerken van personen met een beperking staan al te
vaak weigerachtig tegenover hun seksuele behoeften. Veelal hebben
deze opvattingen te maken met een achterhaalde visie op handicap of
een gebrek aan informatie. Voor LVPH is het dan ook uiterst
belangrijk dat het taboe rond handicap en seksualiteit helemaal
weggewerkt wordt. Personen met een handicap hebben evengoed recht
hebben op een normale seksualiteitsbeleving, net als iedereen.
Wat kan er gedaan worden?
In de eerste plaats is het belangrijk dat mensen die
professioneel actief zijn in de sector overtuigd worden van het
uitgangspunt van het VN-verdrag: mensen met een beperking zijn in de
eerste plaats mens, met alle behoeften en noden die daarbij horen.
Vaak komen tijdens de verzorging van mensen seksuele gevoelens naar
boven die genegeerd worden omdat het verzorgend personeel niet weet
hoe hiermee om te gaan. Om hiermee op een normale manier te leren
omgaan is het volgens LVPH nodig om meer aandacht te besteden aan
seksualiteitsbeleving bij personen met een handicap tijdens de
opleiding.
Daarnaast is het ook wenselijk dat de maatschappij in haar geheel
gesensibiliseerd wordt om zo ook de netwerken rond een persoon met
een handicap te bereiken. Door het onderwerp op een normale manier
in beeld te brengen, kunnen de denkpatronen van de samenleving op
een positieve manier worden beïnvloed. Een mooi voorbeeld hiervan
was toen het thema in het najaar van 2011 werd opgepikt door
verschillende media in het spoor van de succesvolle film Hasta La
Vista. Het zijn die momenten die een cruciale rol spelen in
het ontvankelijk maken van de publieke opinie voor dit thema.
Tot slot willen wij ook wijzen op het belang van goede informatie
voor alle betrokkenen. We zien dat er een stijgende vraag is bij
personen met een beperking, hun netwerken en de voorzieningen naar
duidelijke informatie over de mogelijkheden om tegemoet te komen aan
deze seksuele behoeften. In België hebben een aantal organisaties
een vormingsaanbod over dit onderwerp. In vergelijking met onze
noorderburen is het aanbod echter vrij beperkt en is er duidelijk
nood aan een uitbreiding van het informatieaanbod.
naar boven
Standpunt Projectplan
Zorgvernieuwing
Inleiding
Vorig jaar publiceerde Vlaams minister Vandeurzen zijn
beleidsnota “Perspectief 2020: een nieuw ondersteuningsbeleid voor
personen met een handicap”. In dat document staat zijn
langetermijnvisie op de zorgvernieuwing in de sector van personen
met een handicap. Tegen 2020 wil de minister in eerste instantie dat
de sector is omgeschakeld van aanbodsgestuurde naar vraaggestuurde
zorg. In tweede instantie streeft de minister er naar tegen 2020
zorg te kunnen garanderen voor de personen met de zwaarste
ondersteuningsnood.
Om deze doelstellingen te realiseren werd het
projectplan zorgvernieuwing ter advies voorgelegd aan de betrokken
partijen. Hoewel dit plan een goed overzicht geeft van de stappen
die men denkt te moeten nemen op weg naar de doelen uit Perspectief
2020, blijven wij op onze honger zitten wat betreft de concrete
inhoudelijke uitwerking van de projecten. Zo wordt één van de
dringendste vragen: de omschakeling naar een persoonsgebonden
ondersteuning, wel opgenomen in het projectplan in de vorm van
Persoonsvolgende Financiering (PVF), maar staat er in het
projectplan nergens iets te lezen over de modaliteiten van deze
financieringsvorm. Voorlopig blijft de term dus een lege doos die er
niet onaantrekkelijk uitziet, maar waarvan niemand weet wat er
effectief in zit.
Maatschappelijk debat
De inhoudelijke uitwerking van de belangrijkste
projecten wordt verschoven naar een maatschappelijk debat waaraan
alle belanghebbenden zullen deelnemen. Hoewel wij positief staan
tegenover het opentrekken van de discussie, moet volgens ons de
focus van de discussie liggen op de creatie van een brede basis voor
de geplande vernieuwingen. Het debat mag niet gebruikt worden om
fundamentele rechten of reeds verworven inzichten opnieuw in vraag
te stellen. Wij pleiten dus om via het maatschappelijk debat te
komen tot een breed gedragen compromis waarin alle partijen zich
kunnen vinden. Het debat moet dus goed voorbereid worden; onder meer
door de juiste discussievragen naar voor te
schuiven.
Het is dan ook betreurenswaardig dat de drie
“onontkoombare vragen” die ter inleiding van het maatschappelijk
debat worden voorgelegd, zich enkel toespitsen op de financiële
aspecten van de zorgvernieuwing en meer specifiek op de relaties
tussen drie elementen: het inkomen, het netwerk en de
ondersteuningsnood van een persoon met een
handicap.
Drie onontkoombare
vragen?
Voor ons is het duidelijk dat geen van deze elementen
een impact mag hebben op een van de andere element. Het inkomen – of
dit nu afkomstig is uit arbeid of uit een uitkering – dient in
eerste plaats om te voorzien in het levensonderhoud en in tweede
instantie om het eigen leven naar wens in te richten. Het
minimuminkomen van een persoon met een handicap moet dus
tegemoetkomen aan dezelfde noden als het minimuminkomen van een
persoon zonder handicap. Er is volgens ons geen reden om voor een
persoon met een beperking een apart minimuminkomen te
bepalen.
Wel is het zo dat een persoon met een
handicap drempels of moeilijkheden kan ervaren in verschillende
aspecten van zijn leven. De drempels of moeilijkheden kunnen
weggewerkt worden door de juiste ondersteuning. Het geheel van
drempels vertaalt zich dus in een nood aan ondersteuning. Onze
samenleving heeft zich geëngageerd om personen met een beperking
gelijke kansen aan te bieden en ervoor te zorgen dat zij
gelijkwaardig deel kunnen uitmaken van de samenleving. Bovendien
kiest geen enkele persoon om te leven met een beperking. Is het dan
ook niet volstrekt normaal dat de kosten van de nodige ondersteuning
gedragen worden door de hele samenleving? Het is volgens LVPH dan
ook onredelijk om van een persoon met een handicap een extra
bijdrage aan zijn eigen ondersteuning te eisen, bovenop de
belastingen die we allemaal
betalen.
Het element “inkomen van een persoon met een handicap”
staat volgens ons dus helemaal buiten de discussie. Met betrekking
tot de andere elementen die in het maatschappelijk debat aan bod
moeten komen wordt er van uitgegaan dat een netwerk rond een persoon
met een handicap automatisch leidt tot een kleinere
ondersteuningsnood. Een persoon met een handicap zou minder acute
nood hebben aan extern georganiseerde ondersteuning swanneer hij kan
rekenen op een sterk netwerk. Het is natuurlijk mogelijk dat dit in
bepaalde casussen het geval is. Het is echter gevaarlijk om te
veronderstellen dat het netwerk vanzelfsprekend ingeschakeld kan
worden om ongebruikelijke mantelzorg te verstrekken. Dit zou zorgen
voor een te zware belasting en op de lange termijn de situatie van
een persoon met een handicap doen verslechten. Een netwerk van
mantelzorgers is een kostbare, maar niet onuitputtelijke bron. Het
is volgens ons een belangrijk aandachtspunt om deze waardevolle vorm
van ondersteuning te cultiveren en in stand te houden. Eén van de
mogelijkheden hiervoor is toelaten dat mantelzorg gehonoreerd wordt.
De redenering is hier wederom dat het niet de taak is van
individuele personen met een handicap of hun omgeving is om op te
draaien voor de garanties die de samenleving
biedt.
De kern van de zaak
De vragen voorgelegd ter discussie zijn volgens LVPH
niet zo onontkoombaar als ze worden voorgesteld en raken zeker niet
aan wat volgens ons de kern van de discussie zou moeten zijn. De
discussie zou zich moeten toespitsen op de vorming van een
maatschappelijke consensus over zaken
zoals:
De voordelen van cash financiering ten opzichte van
zorg in natura.
Hoe kan de overheid ervoor zorgen dat mensen met een
beperking een geïnformeerde keuze kunnen maken bij de samenstelling
van hun zorgpakket.
Hoe gaan we als samenleving het hoofd bieden aan het
stijgende aantal
zorgvragen.
Hoe kan een persoon met een handicap voldoende zicht
krijgen op de onderliggende mechanismen bij de behandeling van zijn
zorgvraag.
Wij zouden er tot slot nog willen op wijzen dat wanneer
er een debat georganiseerd wordt over personen met een handicap, het
volgens ons normaal is dat de hoofdrolspelers in de discussie –
namelijk de personen met een handicap zelf – een voortrekkersrol
toebedeeld krijgen, om zo sturing te kunnen geven aan de onderwerpen
die ter discussie voorgelegd worden. LVPH wil daarom vragen dat aan
de gebruikersverenigingen het mandaat gegeven wordt om het
maatschappelijk debat te organiseren en de agenda ervan vorm te
geven.
naar boven
Standpunt ivm begeleiderspas
Inleiding
Wanneer een persoon met een handicap een
evenement wenst bij te wonen, moet hij of zij zich meestal laten
vergezellen door iemand bij het in- en uitstappen van een auto, bij
het kopen van een ticket, bij het betreden en verlaten van de
infrastructuur, wanneer het toilet moet gebruikt worden, ...
Het feit dat de persoon met een handicap zich moet laten
begeleiden, brengt een belangrijke meerkost met zich mee. Er moet
immers steeds voor twee personen betaald worden.
Met het lanceren van de begeleiderspas wensen provincie- en/of
gemeentebesturen tegemoet te komen aan deze meerkost. Bovendien
draagt het bij tot de integratie van de persoon met een handicap,
die op deze wijze gemakkelijker de weg naar allerlei evenementen kan
vinden.
Een begeleiderspas geeft immers gratis toegang aan de begeleider
van een persoon met een beperking wanneer hij of zij een sport- of
cultuurevenement van de deelnemende verenigingen wenst bij te wonen.
Personen die recht hebben op zo’n begeleiderspas moeten kunnen
aantonen dat ze een handicap hebben. De pas kan door de gemeente of
door de provincie worden uitgereikt en wordt op naam opgemaakt. Je
mag je begeleider steeds zelf kiezen. Die begeleider mag voor elke
activiteit iemand anders zijn. Als je deelneemt aan een activiteit
van de deelnemende verenigingen moet je begeleider bij je blijven
tot je weer naar huis gaat. Je krijgt van je gemeente of provincie
een lijst van de organisaties waarbij je de begeleiderspas kan
gebruiken. Vaak wordt er gevraagd om een dag op voorhand aan de
organisatoren te laten weten dat je aanwezig zal zijn. De
geldigheidsduur van de pas is beperkt in de tijd.
Aanbevelingen van LVPH en Liever Thuis LM
De Liberale Vereniging van Personen met een Handicap (LVPH) vzw
en de vzw Liever Thuis LM staan volledig achter de begeleiderspas.
Een beter alternatief is echter het Persoonlijke-Assistentiebudget
(PAB), omdat de persoon met een beperking op die manier de
begeleiding volledig kan vergoeden. Hierdoor is hij of zij niet
afhankelijk van de bijkomende voorwaarden, zoals het feit dat de
begeleider steeds bij de te begeleide persoon moet blijven.
De beperking van het aantal deelnemende verenigingen is echter
jammer. LVPH en Liever Thuis LM zijn van oordeel dat ook andere
organisaties, zoals die uit de commerciële sector, moeten
gestimuleerd worden om open te staan voor de begeleiderspas.
In de provincie Limburg werkt men momenteel met een icoontje dat
aangeeft dat bepaalde organisaties tot de deelnemende verenigingen
behoren. Dit label stelt duidelijk dat personen met een beperking
welkom zijn. Dit kan sensibiliserend werken, al moet men opletten
dat het de betutteling niet in de hand werkt.
Om misbruik tegen te gaan, pleiten LVPH en Liever Thuis LM voor
een geldigheidsduur van vijf jaar. Nadien zou de begeleiderspas
opnieuw moeten aangevraagd worden.
Vanuit hun liberale achtergrond, staan LVPH en Liever Thuis LM
voor de keuzevrijheid van personen met een handicap. De
begeleiderspas zorgt voor een verruiming van de keuzemogelijkheden
en dit kan enkel aangemoedigd worden. LVPH en Liever Thuis LM
stellen echter vast dat het bestaan van de begeleiderspas bij de
doelgroep en bij de eerstelijnshulpverleners, zoals de huisarts,
nauwelijks gekend is. Daarnaast zou de begeleiderspas ook moeten
toegevoegd worden als een vorm van ondersteuning in
internettoepassingen voor personen met een handicap en andere
zorgbehoevende personen en hun mantelzorgers, zoals Handiweb en de
rechtenverkenner. Uiteraard dienen de gemeenten en provincies die
een dergelijke pas toekennen dit ook bekend te maken op hun website
en in het gemeentelijke infoblad. Iedere burger die hierop aanspraak
kan maken, moet hierover geïnformeerd worden.
Gemeenten beschikken doorgaans over heel wat informatie over hun
inwoners op basis van de toekenning van een aantal tegemoetkomingen.
Het zou daarom mogelijk moeten zijn om de begeleiderspas automatisch
toe te kennen aan de rechthebbenden.
Daarnaast nemen sommige provincies meerdere initiatieven met pas-
of kaartsystemen voor personen met een handicap en hun begeleiders.
In Limburg bestaan er bijvoorbeeld drie passystemen, met name
Eurecard voor kortingen voor toeristische, culturele en sportieve
activiteiten, een begeleiderspas en Limtax, een taxichequessysteem
voor personen met een zware motorische handicap. LVPH en Liever
Thuis LM pleiten voor een uniform systeem met slechts één pas of
kaart op provinciaal niveau, die dan zowel geldig is om deel te
nemen aan activiteiten als voor het gebruik van aangepast
vervoer.
Ten slotte vinden LVPH en Liever Thuis LM dat het gebruik van een
begeleiderspas de algemene toegankelijkheid absoluut niet in de weg
mag staan. Organisaties moeten er in de eerste plaats voor zorgen
dat het gebouw en het evenement volledig toegankelijk zijn voor
iedereen, dus ook de sanitaire voorzieningen.
naar boven
Standpunt ivm de
arbeidsparticipatie van personen met een handicap
Er
is een ondervertegenwoordiging van personen met een handicap binnen
de reguliere arbeidsmarkt. Slecht 2 op 10 gehandicapten heeft
betaald werk. Uit een studie van het Business & Disability Forum
blijkt dat er nog veel discriminatie op de werkvloer bestaat ten
aanzien van personen met een handicap.
Zelfs binnen de overheid ligt de arbeidsparticipatie van personen
met een handicap erg laag. In 2009 bestond slechts 0,9% van het
personeel van de Federale overheidsdienst uit personen met een
handicap. De Vlaamse overheid strandde dat jaar op 1,1%. Dit zijn
teleurstellende cijfers. Nochtans, in het kader van het
Gelijkekansenbeleid, legt de overheid zich een streefcijfer op van
4,5% tegen 2015.
Men moet inspanningen leveren om mensen met een handicap op een
volwaardige manier tewerk te stellen in de reguliere arbeidsmarkt.
Er zijn vaak enorme toegankelijkheidsproblemen zoals werkplaatsen
die niet zijn aangepast. Eveneens is er sociale ontoegankelijkheid:
sceptische collega’s en te weinig vertrouwen of onbegrip van
directie. Mensen met een handicap zijn te weinig gekend binnen de
arbeidsmarkt en dit geeft onzekerheid.
LVPH dringt aan om reëel werk te maken van de tewerkstelling van
personen met een handicap. Hierin moet de overheid het voortouw
nemen en de diversiteit waar zij zo voor pleit ten uitvoer brengen.
Werkgevers die personen met een handicap in dienst hebben, zijn zeer
positief en ondervinden de meerwaarde van verscheidenheid tussen
werknemers. Beschutte werkplaatsen zijn plaatsen waar hard
gewerkt wordt en die evenwaardig zijn aan werkplaatsen in het
reguliere arbeidscircuit. In deze werkplaatsen zoekt men werk op
maat van de werknemer. Een beschutte werkplaats is dan ook een
tewerkstellingsplaats voor personen met een arbeidshandicap die niet
in het normale arbeidscircuit terecht kunnen.
LVPH adviseert de Liberale Mutualiteiten:
1. Informeren
LVPH wil voornamelijk advies geven aan de
werkgevers en aan werknemers met een handicap binnen de Liberale
Mutualiteit. Dit advies kan op individuele basis verstrekt
worden.
2. Sensibiliseren
LVPH wil alle werkkrachten binnen de Liberale Mutualiteit attent
maken op de sterkte van diversiteit op de werkvloer. Dit zal ze doen
door een artikel te weiden aan een goed voorbeeld van een werknemer
met een handicap binnen dit huis.
3. Advies bij het uitschrijven van vacatures
In een vacature kan men volgende zin vermelden: “Wij kunnen
ons volledig vinden in de idee van gelijke kansen; daarom zijn de
kwaliteiten van mensen heel wat belangrijker dan hun handicap.”
4. Cijfers
Het lijkt interessant om toch een indicatie te hebben over het
aantal werknemers met een beperking binnen LM. Er worden cijfers
opgevraagd?
5. Verdere ambities
LVPH zal de werknemers met een beperking binnen LM samen brengen
in een werkgroep. Deze werkgroep zal de concrete knelpunten
oplijsten en aan de hand van deze gegevens een stapsgewijs actieplan
uitwerken.
naar boven
Standpunt rond de
tegemoetkomingen

Inleiding
Op federaal niveau bestaan er 4 soorten
tegemoetkomingen: - De inkomensvervangende tegemoetkoming
(IVT) - De integratietegemoetkoming (IT) - De
tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden (THAB) - De
Inkomensgarantie voor Ouderen (IGO)
Dit standpunt heeft betrekking op de 3 eerste vormen van
tegemoetkomingen en de problemen die hiermee verbonden zijn.
Deze worden toegekend door de Directie-generaal Personen met een
handicap (DGPH). De IGO wordt uitgekeerd door de Rijksdienst voor
Pensioenen.
De problemen: - de wachttijden (uiteraard een steeds
weerkerend
probleem)
- de prijs der
liefde
- de leeftijdsgrenzen
Probleem 1: de
wachttijden
Tijd tussen aanvraag en uitbetaling in 2009: 9,4 maanden, in
2010: 7,5 maanden. De wetgeving stelte: zes maanden.
De staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met
een Handicap, is zich bewust van dit probleem en werkt hier intern
aan op drie belangrijke zaken, namelijk de ICT-ondersteuning, het
administratieve beheer en de regelgeving. Als LVPH kunnen we deze
initiatieven aanmoedigen en opvolgen.
Het rekenhof heeft het DGPH doorgelicht en een aantal zeer
concrete aanbevelingen geformuleerd. Het volledige verslag + reactie
van het DGPH is terug te vinden op: http://www.rekenhof.be/docs/Reports/2011/2011_04_DGHAN_N.pdf
.
Probleem 2: de prijs der liefde
Een integratietegemoetkoming wordt verstrekt aan personen met een
handicap om de kosten om zich te integreren voortvloeiend uit hun
handicap te verminderen. Het gaat om een toelage die wordt toegekend
in functie van de graad van zelfredzaamheid en na onderzoek van de
bestaansmiddelen. Deze integratietegemoetkoming zou niet mogen
afhangen van het inkomen van de partner. Het inkomen van de partner
heeft namelijk niets te maken met de zelfredzaamheid van de persoon
met een beperking. LVPH pleit dan ook voor het loskoppelen van de
integratietegemoetkoming en het inkomen van de partner.
Probleem 3: de leeftijdsgrenzen
De tegemoetkomingen (IT en IVT) zijn enkel van toepassing voor
personen tussen de 21 en 65 jaar oud. Wat met de mensen jonger dan
21 en ouder dan 65 jaar?
Een 18-jarige is wettelijk meerderjarig, maar heeft pas het recht
op een tegemoetkoming als hij/zij 21 jaar is. Mensen,
ouder dan 65 jaar, die een handicap verwerven kunnen geen aanspraak
maken op deze tegemoetkomingen. Zij hebben recht op het IGO en de
THAB. Deze ongelijke behandeling wordt ook door het VAPH toegepast,
hier kan je enkel terecht als je jonger bent dan 65.
Er zijn al voorstellen geformuleerd om het betreffende decreet te
wijzigen, maar deze werden steeds verworpen. Hierbij worden 2
argumenten aangehaald: ten eerste kan de persoon vanaf zijn 65ste
beroep doen op de voorzieningen binnen de bejaardenzorg. Een tweede
argument zegt dat het onbetaalbaar is om deze leeftijdsgrenzen af te
schaffen of te versoepelen.
Deze leeftijdsgrenzen zijn arbitrair en onrechtvaardig. LVPH
pleit voor het wegwerken van deze strikte scheidingslijnen en voor
een gelijkwaardige behandeling van personen met een handicap,
ongeacht hun leeftijd.
Een bedenking: werk moet lonen
Personen met een handicap die genieten van een
inkomensvervangende tegemoetkoming zien dat elk inkomen dat zij
verwerven uit arbeid wordt gevolgd door een vermindering van hun
uitkering. Personen met een handicap worden hierdoor niet
gestimuleerd tot betaalde arbeid.
Dit is een verliessituatie voor zowel de persoon met een handicap
als de potentiële werkgever en de arbeidsmarkt. LVPH pleit voor een
versoepeling van de wetgeving en een meer flexibele combinatie van
een tegemoetkoming en loon uit arbeid.
naar boven
Standpunt rond (On)toegankelijkheid in de
horeca
Inleiding
Onder het motto “12% van je omzet laat je niet lopen!” startte
Nederland in 2007 een landelijke campagne om horeca- en
recreatiebedrijven voor iedereen toegankelijk te maken. De 12%
refereert naar het percentage personen met een handicap over gans de
bevolking. Toch is toegankelijkheid niet alleen interessant voor
personen met een handicap, toegankelijkheid biedt comfort voor alle
klanten.
Een brede deur die vanzelf open gaat is handig voor zwaar beladen
shoppende dames, jonge ouders met kinderen, een oudere man met een
rollator of een rolstoelgebruiker. Hetzelfde geldt voor een
duidelijke menukaart.
Universal design staat voor het vergemakkelijken en veraangenamen
van het leven van álle gebruikers en wordt zo losgekoppeld van het
speciale of van de extra investering. Het idee achter Universal
design:
“Fysieke en sociale omgevingen die integraal en inclusief
toegankelijk en bruikbaar zijn voor de ruimst mogelijke
verscheidenheid van gebruikers, jong en oud, vormen de sleutel tot
een volwaardige maatschappelijke integratie en participatie van
iedereen.“
Toegankelijkheid is het recht op een veilige,
gebruiksvriendelijke en aangename omgeving voor iedereen, doorheen
alle levensfases. Bijkomende argumenten om toegankelijkheid te
promoten zijn de vergrijzing van onze samenleving. Mensen worden
ouder en de groep ouderen wordt groter én blijft actief. Ook wordt
de groep met een ernstig handicap, dankzij de (para-)medische
vooruitgang, groter en actiever. Ze zijn meer geëmancipeerd en
zelfstandiger en nemen deel aan de samenleving.
Een werk van lange adem
Toegankelijkheid zou dan ook vanzelfsprekend moeten worden en
hiermee zijn onze beleidsmakers het eens. Vanaf 1 maart 2010 is er
een nieuwe regelgeving van kracht die ervoor zorgt dat
toegankelijkheidsregels moeten opgenomen worden in de voorwaarden
van de bouwvergunning. Dit geldt dus ook voor cafés en andere
horecazaken.
Toegankelijkheid hoeft niet meer te kosten. Door in de
ontwerpfase mensen met een ernstige beperking als uitgangspunt te
nemen, kan je er dus voor zorgen dat een accommodatie voor iedereen
gebruiksvriendelijk is.
Twee zaken zijn hierbij wel belangrijk: ten eerste is het
essentieel dat men van bij het begin van het ontwerp rekening houdt
met toegankelijkheid. Zo hebben gespecialiseerde bouwkundigen de
ervaring dat de aanleg van een integraal toegankelijk toilet geen
extra kosten met zich meebrengt, mits dit al bij het ontwerp van een
groot geheel (nieuwbouw of ingrijpende renovatie) wordt meegenomen.
Ten tweede moet er een mentaliteitsverandering komen. Men moet
niet investeren in toegankelijkheid vanuit idealisme. Het moet ook
rendabel zijn. Niet alleen bereikt de horeca op deze manier een veel
breder publiek, het straalt ook een openheid uit. Op dit moment
kijkt men naar toegankelijke plaatsen met een bepaalde bewondering
en er worden toegankelijkheidsprijzen uitgereikt. Zo stimuleert men
toegankelijkheid en dit is broodnodig, maar het zou vervlecht moeten
zijn in onze mentaliteit. Als mensen een café beginnen, moeten ze
een automatische reflex hebben die zegt “hoe maken we het
toegankelijk” net zoals ze zich afvragen hoe ze het gezellig moeten
maken.
En nu?
Momenteel is dit natuurlijk nog geen antwoord op het
toegankelijkheidsvraagstuk. Nederlandse cijfers tonen aan dat
slechts 1,5% van de horeca zaken toegankelijk is voor personen met
een handicap. Er moet dus onmiddellijk iets veranderen. Veel zaken
vergen kleine ingrepen en vergroten de toegankelijkheid in grote
stappen: - goede signalisatie (ingang, toog,
toilet,…) - wegwerken van drempels - goede
zitplaatsen met een deftige rugleuning - een menukaart in
braille - een duidelijke kaart - parking in de buurt
(in samenspraak met de gemeente) - doorgangen voldoende
breed houden - enkele tafels zonder stoelen
vrijhouden - enkele tafels verhogen (rolwagen kan
eronder) - toelaten van geleidehonden (is wettelijk
verplicht, antidiscriminatiewet van februari 2005): wet is moeilijk
afdwingbaar. Men pleit voor een boete als de hond
geweigerd wordt. stickeractie 'Assistentiehond
Welkom' - …
Qua communicatie en klantvriendelijkheid kan ook veel veranderen
en dit is kosteloos.
Er wordt weinig aandacht besteed aan goede communicatie met
personen met een handicap. Deze communicatie zou niet anders moeten
zijn dan naar personen zonder handicap. Toch wordt nog al te vaak de
begeleider aangesproken ipv de persoon zelf. Ook tips ivm duidelijk
en verstaanbaar praten of met je handen je taal ondersteunen door
bijvoorbeeld te wijzen naar de plaats.
Mensen moeten meer attent worden voor het feit dat de klant een
beperking kan hebben. Bovenal is vriendelijkheid en openheid het
allerbelangrijkste. De klant moet zich welkom voelen. Op dit moment
verloopt dit vaak moeilijk en staat verlegenheid spontaan
communiceren in de weg.
Aanbevelingen van LVPH
Op dit moment is het belangrijk om handelaars ervan bewust te
maken dat toegankelijkheid hen winst geeft. Niet alleen stellen ze
zich op die manier open voor iedereen (sociale winst), maar
toegankelijkheid betekent ook meer economische opbrengst. LVPH is
voorstander van de toegankelijkheidsprijzen. Op dit moment is het
een goede manier om mensen te sensibiliseren. Hier hoeft geen
financiële beloning aan vast te hangen, maar de zaak krijgt
media-aandacht en erkenning.
Er zijn horecazaken die zichzelf profileren als toegankelijk,
maar ze zijn dit niet volledig. Dit kan voor LVPH echt niet, vandaar
dat we pleiten voor een label dat aangeeft in hoeverre een zaak
aangepast is. Om dit label te verdienen, moet de zaak voldoen aan
een aantal strikte criteria. Eventueel kunnen er binnen dit
toegankelijkheidslabel gradaties aangebracht worden. Een groen label
kan staan voor volledige toegankelijkheid, terwijl een blauw label
aangeeft dat de zaak nog niet over de hele oppervlakte toegankelijk
is. Een rood label stelt dat er nog veel werk aan de winkel
(taverne) is. Een deskundigencommissie zou de criteria kunnen
opstellen en de labels uitreiken en opvolgen. Als de zaakvoerder
zijn label aan de deur hangt, kan de klant onmiddellijk zien of
hij/zij zonder moeilijkheden gebruik kan maken van de faciliteiten
van de zaak.
LVPH raadt alle eigenaars en werknemers binnen een horecazaak aan
om zelf met een rolwagen zijn zaak te verkennen. Het is ook
aangewezen om eens rond te wandelen met een blinddoek aan en/of zich
in te leven als persoon met dwerggroei. Dit terwijl hij/zij gebruikt
maakt van de faciliteiten van zijn/haar zaak. Dit wil zeggen:
binnenkomen, plaats nemen aan elke tafel, naar het toilet gaan,…
De deskundigencommissie zou voor het uitreiken van een
toegankelijkheidslabel deze evaluatietest eventueel kunnen opnemen.
naar boven
Standpunt rond PAB
Wat is het PAB?
Het persoonlijke-assistentiebudget (PAB) is een
budget dat een persoon met een handicap kan ontvangen om zijn of
haar assistentie mee te bekostigen. De persoon kan iemand in dienst
nemen die hem of haar thuis, op school of op het werk praktisch en
organisatorisch hulp biedt.
De meerwaarde van een PAB
Er is veel vraag naar een PAB en dit toont aan dat het PAB een
zeer interessante financieringsmanier is. Waarom is het PAB zo
aantrekkelijk voor de persoon met een handicap?
• Het PAB versterkt de persoon met een handicap door hem of haar
zelf te laten beslissen aan welk soort assistentie hij of zij het
budget besteedt. • De kwaliteit van de assistentie verbetert
omwille van het directe contact tussen de persoon met een handicap
en zijn of haar assistent. • Het is een opstap naar het PGB, het
persoonsgebonden budget. Met een PGB kan men naast persoonlijke
assistentie ook andere door het VAPH erkende diensten en
voorzieningen betalen. De toepassing van het PGB is de laatste 2
jaar in een experimentele fase. • Het PAB heeft een preventief
effect. Het voorkomt dat mensen in instellingen terecht komen.
Niet alleen voor de persoon met een handicap heeft deze
financieringswijze veel voordelen, ook voor de beleidsmakers is dit
een win-situatie. Wat zijn de voordelen voor de overheid?
• Het preventieve effect van het PAB, hierboven besproken, zorgt
op lange termijn voor besparingen voor de overheid. Nederlands
onderzoek berekenende een winst van 12%. • Het PAB zorgt voor
meer controle en sturing omwille van de directe link tussen
budgethouder en assistent.
3 problemen
1. Tekort en te lang
Het budget is onvoldoende en er staan veel mensen op de
wachtlijst. In Vlaanderen waren er op 01 januari 2010 1 704 actieve
budgethouders. Het aantal wachtenden in juni van dat jaar bedraagt 5
577. Dit aantal is zelfs de laatste jaren sterker gestegen dan het
aantal toekenningen. Dit kan men niet volhouden: er staan mensen al
jarenlang te wachten en indien er geen serieuze investering komt,
blijft deze ondraagelijke situatie bestaan.
2. Overschot?
Wat zeer vreemd is, is dat het jaarlijks begrote bedrag voor PAB
onderbenut blijft. Volgens Bol-Budiv vzw (budgethoudersvereniging)
vloeit er jaarlijks 4 miljoen euro vanuit de post PAB terug naar de
Vlaamse Overheid. Mensen die het eerste jaar een PAB ontvangen zijn
vaak erg zuinig met hun budget en houden op het einde van het jaar
over. VAPH pleit voor de oprichting van een reservefonds voor deze
‘overschotten’. De budgethoudersverenigingen pleiten voor een
systeem waarbij de niet besteedde middelen PAB bestemd blijven,
zodanig dat meer mensen geholpen kunnen worden.
De LVPH sluit zich hierbij aan: geld van het PAB moet bij het PAB
blijven en dit budget moet snel substantieel groter worden.
3. Te weinig informatie en begeleiding
Er is een tekort aan informatie rond het PAB. Mensen krijgen te
weinig informatie over: - wie in aanmerking komt voor dit
budget - hoe ze dit budget kunnen aanvragen - hoever ze op de
wachtlijst staan (en hoe snel ze vorderen op die wachtlijst) -
hoe ze op een goede manier hun (volledig!) budget kunnen
besteden/beheren - de arbeidswetgeving van de assistent - de
onkostennota die men moet opmaken en kunnen voorleggen Dit
laatste is niet zo eenvoudig. Een assistent is een werknemer met
bepaalde rechten waar de persoon met een handicap rekening mee moet
houden, zoals hun jaarlijks verlof en andere arbeidswetgeving.
Oproep
De Liberale Vereniging van Personen met een Handicap doet een
oproep aan de huidige regering om uitdrukkelijk voor het PAB te
kiezen en werk te maken van de uitbouw van deze directe
financieringsvorm. De wachtlijsten moeten snel weggewerkt worden, de
financiering moet op een correcte en transparante manier verlopen en
mensen hebben recht op correcte informatie en goede begeleiding. Er
is in eerste instantie duidelijk meer budget nodig, maar ook moet
men dit initiatief beter uitwerken. Enkel op deze manier heeft het
PAB kans op slagen en zo kunnen personen met een handicap meer
autonomie verwerven!
naar boven
Standpunt rond de Beschutte Werkplaatsen
(BW)
Inleiding
Beschutte werkplaatsen zijn plaatsen waar hard gewerkt wordt en
die evenwaardig zijn aan werkplaatsen in het reguliere
arbeidscircuit. In deze werkplaatsen zoekt men werk op maat van de
werknemer. Een beschutte werkplaats is dan ook een
tewerkstellingsplaats voor personen met een arbeidshandicap die niet
in het normale arbeidscircuit terecht kunnen.
Op dit moment zijn er 3 problemen waarmee de beschutte
werkplaatsen te kampen hebben.
1. De economische crisis
In 2009 werd de sector van de beschutte werkplaatsen
zwaar geraakt door de economische crisis. Er werden maatregelen
getroffen om de werkplaatsen tijdelijk extra te ondersteunen via een
economische herstelsubsidie. Ook voor 2010 werden maatregelen
genomen om de crisis zo goed mogelijk op te vangen. Toch steeg de
economische werkloosheid tot 20%. Hierdoor ontstonden periodes van
plotselinge, langdurige werkloosheid. Werkgevers doen hun best om de
problemen zo goed mogelijk op te vangen.
Ondanks alles kwamen er in de nasleep van de crisis veel
moeilijkheden. Zo is de continuïteit van de toevoer van werk
gestoord, wat maakt dat plotseling drukke periodes werden
afgewisseld met periodes van weinig tot geen werk. Bescherming van
werknemers in deze moeilijke economische periode is een belangrijk
thema. Toch lijkt het noodzakelijk om de tewerkstelling van mensen
met een handicap binnen de sociale economie nauw op te volgen juist
omwille van de kwetsbaarheid van deze arbeid.
Deze kwetsbaarheid situeert zich in de aard van het werk. Binnen
beschutte werkplaatsen splits men het werk op in eenvoudige
handelingen op maat van de werknemer. Hierdoor is er minder
flexibiliteit en door de toenemende concurrentie wordt dit juist
meer verwacht. De professionalisering binnen de BW’s heeft zeker
niet stilgestaan, maar de vraag naar laaggeschoolde arbeid wordt
lager en de druk wordt hoger. De arbeidsmarkt werkt met zeer strikte
deadlines, kortere productietijden en kleinere reeksen.
De werknemers van de beschutte werkplaatsen hebben niet dezelfde
draagkracht als tewerkgestelden in het normale arbeidscircuit. Zij
zijn dan ook meer gevoelig aan deze onzekerheden en dit kan hen
sneller uit hun evenwicht brengen. Ongeveer 3 op de 4 werknemers
hebben een verstandelijke handicap en voor deze groep is het niet
altijd even duidelijk wat er precies gebeurt. Dit brengt vaak
angsten met zich mee wat kan zorgen voor psychische problemen.
De LVPH vraagt de regering om de aanhoudende negatieve gevolgen
van de economische crisis te blijven opvangen, om zo de BW’s meer
ademruimte te bieden.
2. Het deeltijds werken
Momenteel werkt 31% van de werknemers binnen de BW’s deeltijds en
deze cijfers verschillen niet met de gemiddelde verdeling op de
algemene arbeidsmarkt. Toch is er binnen de BW’s een grote vraag
naar deeltijds werk. Mensen met een handicap besteden vaak meer tijd
aan allerlei activiteiten van het dagelijkse leven zoals hun
zelfzorg, verplaatsingen, enz. Dit in combinatie met voltijds werk
kan zwaar zijn.
De werkplaatsen zijn geen voorstander van het deeltijds werken.
Slechts 1 op 5 werkplaatsen geeft aan dat ze deeltijdse werknemers
aanwerven zonder voorwaarden. De anderen staan deeltijds werk toe
mits gegronde redenen en hier gaat het om uitzonderingen.
Volgens de BW’s zijn er een aantal nadelen verbonden aan het
tewerkstellen van deeltijds werkkrachten:
- De organisatie en planning van het werk wordt ingewikkelder.
- De opleiding van de werknemers dient tweemaal te gebeuren.
- De kosten per werknemer zijn hoger.
- Er is een grote afwezigheid bij deeltijds werkenden
Toch kunnen er ook enkele voordelen benoemd worden voor de
BW’s:
- De productiviteitsgraad van zwakkere of oudere werknemers
stijgt.
- De kwaliteit van de productie is vaak beter.
De LVPH pleit voor flexibiliteit op de werkvloer. Het doel van
Beschutte Werkplaatsen is om werk op maat aan te bieden, ook het
arbeidsritme valt hieronder. Het is noodzakelijk om open te staan
voor deeltijdse werknemers.
3. De veroudering van de werknemers
Dit laatste thema is een zeer positieve evolutie ten gevolge van
de stijgende levensverwachting en de emancipatie van de grootste
doelgroep van de BW’s, namelijk de personen met een verstandelijke
beperking. Binnen de beschutte werkplaatsen zijn meer dan de helft
van de werknemers ouder dan 40 jaar. 20 % is ouder dan 50 jaar.
Oudere personeelsleden ondervinden een aantal specifieke
moeilijkheden:
- Ze hebben vaker fysieke problemen.
- Er kan sneller vermoeidheid optreden.
- Oudere werknemers zouden een lagere productiviteitsgraad
hebben.
- Ze zouden minder flexibel kunnen werken.
Toch brengen ouderen ook een specifieke meerwaarde op de
werkvloer:
- veiligheid door ervaring,
- steun aan de jongere collega’s
- en een bepaalde routine en expertise die de productiviteit ten
goede komt.
In samenwerking met de Koning Boudewijnstichting hebben een
aantal Beschutte werkplaatsen projecten opgezet om extra aandacht te
besteden aan de eindeloopbaanbegeleiding van oudere werknemers. Deze
projecten gingen van start in 2008, maar werden ernstig belemmerd
door de economische crisis. Toch zijn er al mooie werkingen rond
opgezet.
De LVPH vraagt aandacht voor de overgang naar het pensioen. Het
is ook voor mensen zonder handicap niet evident om deze omslag te
maken. Men is gewoon om een hele dag met veel enthousiasme te werken
en plots valt dit weg. De gepensioneerde moet zijn leven bij wijze
van spreken opnieuw opbouwen: een nieuw levensdoel vinden en een
nieuw sociaal netwerk uitbouwen.
Bij sommige mensen met een handicap is het essentieel dat deze
overgang goed begeleid wordt. Men is voorstander van een meer
flexibele overgang, eerst deeltijds werken en zo langzaam afbouwen.
Ook kan het voor mensen met een handicap aangewezen zijn dat er
dagopvang wordt voorzien.
Momenteel is er te weinig omkadering voor oudere personen met een
handicap. Ook deze groep vergrijst en de structuren zullen aan deze
uitbreidende en ouder wordende groep moeten worden aangepast.
Kanttekening
Een BW is een prachtig initiatief voor mensen die niet
tewerkgesteld kunnen worden op de gewone arbeidsmarkt. Deze
reguliere arbeidsmarkt moet echter wel de nodige maatregelen treffen
om mensen met een handicap te werk te stellen.
Mensen met een handicap kunnen nog te weinig gaan werken in de
reguliere arbeidsmarkt, enkel omwille van toegankelijkheidsproblemen
zoals de ontoegankelijkheid van gebouwen. Er is eveneens een sociale
ontoegankelijkheid: verbaasde collega’s of onbegrip van directie.
Mensen met een handicap zijn te weinig gekend in de reguliere
arbeidsmarkt en dit geeft onzekerheid. Er zijn nochtans zeer veel
positieve ervaringen!
naar boven
|